Waar muziek vandaan komt

Geschiedenis van onze Canta Libre-zangpartituren
(in een notendop natuurlijk)



Het woord “muziek” stamt uit het oude Grieks μούσίκη (spreek uit als “moezikij”) = de kunst der muzen. Muzen = μουσaι (spreek uit als moezaai) in ’t enkelvoud de muze = μουσα (spreek uit als moeza).

De negen Muzen , ook wel Parnassides genoemd naar hun woonplaats op de Parnassus, waren de Griekse godinnen van de kunsten en wetenschap. Een tempel ter ere van de muzen was in het grieks: Mouσειον(moeseion)= Een muzeum= kunsttempel. De muzen waren begeleidsters van Apollon. Ze vertoefden het liefst op bergen. Ze bewoonden de Olympus aan de kant van Piëria. Ze verblijven ook op de met gras begroeide vlakten van de Helikon, bij hun bron Hippocrene, en op de Parnassus, bij de Kastalia-bron. Aan de voet van de Helikon wedijverden de Pieriden, de dochters van de Macedonische koning Piërus, met de muzen, tot ze door hen in eksters werden veranderd. De Romeinen identificeerden de muzen later met Italiaanse bronnimfen, de Camenae.

(Pseudo-)Apollodorus noemt Mnemosyne ('geheugen') de moeder van de drie muzen, die aanvankelijk voorkwamen als triade. Namen voor de drievoudige muzen waren Melete ('meditatie'), Mneme ('herinnering') en Aeode ('lied'). Volgens Hesiodus waren zij de dochters van Moeder Aarde en de Lucht. De negenvoudige muze met haar functies kwam voor het eerst voor bij Hesiodus.

De negen muzen zijn:

Erato (De muze van de hymne, het lied en de lyriek)

Euterpe (De muze van het fluitspel)

Kalliope (De muze van het heroïsch epos, de filosofie en de retorica)

Clio (De muze van de geschiedschrijving)

Melpomene (De muze van de tragedie)

Polyhymnia (De muze van de retoriek en de gewijde liederen)

Terpsichore (De muze van de dans en de lyrische poëzie)

Thaleia (De muze van de komedie)

Urania (De muze van de sterrenkunde)

In de mythologie van het oude Griekenland waren de negen muzen dochters van Zeus en de zussen van Apollon. Ze bewoonden samen de zangberg Helikon.

De muzen waren voorstellingen van de godin als inspirerende kracht. Deze 'geestkracht' stond in de oudheid gelijk aan adem of lucht. Wat men nu onder 'geestelijke inspiratie' verstaat, werd toen beschouwd als letterlijk 'inademen'. Dat kan de betekenis zijn van de notie dat zij kinderen zijn van de lucht.

Volgens een overlevering schonken de muzen ons de zeventonige toonschaal, die een weerspiegeling was van van de 'harmonie der sferen'. Dit was de hemelse harmonie, waarin iedere planeet zich in zijn eigen sfeer bewoog, terwijl ze daarbij door resonantie elk hun eigen specifieke klank voortbrachten. Elke noot correspondeerde met de klank van een klinker. In het Fenicische alfabet, dat ook met de muzen in verband wordt gebracht, worden klinkers niet genoteerd. De muziek der sferen was de kracht die het universum bijeenhield.

Hoe kwamen muzieknoten op papier ?

Als de muze komt ...begint een rechtgeaard Canta Libre-koorlid te zingen,
er is zelfs één koorlid die dan - de muze komt dan wel op zijn schoot zitten - , koormusicals begint te schrijven.

Een echt Canta Libre-koorlid heeft nooit teveel noten op zijn of haar zang (of op de notenbalk).
Door noten op een notenbalk te tekenen voorafgegaan door een sleutel en een maatsoort, eventueel vergezeld van diverse muziektekens, kan het beschaafde geluid dat we muziek noemen, heel precies en correct worden neergeschreven en vastgelegd ...het blijft op papier staan ook als de laatste klank van een lied, gebracht door Canta Libre, al lang is verdwenen. Nu er moderne technieken bestaan om geluid te registreren op cd, tape, computerchips, usb-stick, i-pod, enz... vroeger op grammofoonplaat, en nu de klanken van de muziek kunnen worden getransporteerd via radiogolven lijkt dat neerschrijven van noten misschien niet meer zo van belang, maar er was een tijd dat muziek louter door overlevering werd doorgegeven van de ene generatie op de andere.

Uit opgravingen weten we dat sommige instrumenten al heel lang bestaan. Er zijn bijvoorbeeld een voorhistorische fluit, een Keltische trompet en een Egyptische harp gevonden. Op Chinese en Griekse vazen en op Babylonische wandversieringen staan vaak spelende muzikanten. In epische gedichten en mythes, in de heilige boeken van alle godsdiensten, wordt dikwijls gesproken over muziek. Alleen weten we niet wàt een Griekse herder of een dienares van de Farao speelde of zong. We weten niet welke melodie David op zijn harp liet horen toen hij voor de Ark des Verbonds danste of hoe de legerfanfare van het Romeinse heir klonk bij de triomfantelijke intochten van Julius Caesar.
Heel vroeger in de geschriften der Chinese dynastiën 3000 jaar voor Chr. werd al over muziek gesproken. We hebben ook perfecte beschrijvingen van allerlei oosterse slaginstrumenten, fluiten, harpen, maar geen melodie- en ritme-aanwijzigen of partituren . In Mesopotamië (huidige Irak) werden er wel Soemerische teksten in spijkerschrift gevonden met daaronder vreemde tekens die misschien muzieknoteringen zouden kunnen zijn geweest .

De westerse muziek kreeg ongetwijfeld zijn regels door het vastleggen van liturgische kerkmuziek.. Bisschop Ambrosius Aurelius (386 na Chr.) van Trier wordt de schepper van de christelijke kerkmuziek genoemd maar het is vooral door het toedoen van paus Gregorius I (604) dat de éénstemmige muziek, die men later Gregoriaans is gaan noemen strikte regels kreeg. Wist ge dat Canta Libre, voor we een echte naam voor ons koor hadden, “Het Gregoriaans Koor” werd genoemd ?
De noten van Gregoriaanse muziek staan -nu nog altijd- op een vierlijnige notenbalk ongewijzigd sinds het prille begin geschreven in “het neumenschrift”. Dit neumenschrift ontwikkelde zich in verschillende stadia :adiastematische fase : men gebruikte slechts twee tekens, het punctum (een bolletje) voor de neergaande beweging en de virga (een vertikaal streepje) voor de opgaande beweging. Die tekens , die telkens één noot voorstelden, werden boven de lettergrepen aangebracht. Ze bevonden zich – zonder hoogteverschil- allen op één lijn .... vandaar de benaming “ blinde neumen” of “in campo aperto” (open terrein). Het was een hulpmiddel voor het geheugen van de zangers bij het uitvoeren van liturgische gezangen.diastematische notatie : dit geheugenhulpmiddel werd nuttiger omstreeks de 10de eeuw waarbij de neumen niet meer op één lijn maar –afhankelijk van de toonhoogte- op verschillende hoogte werden aangebracht. Dit idee kwam vanuit Italië.
naast het neumenschrift en vanuit dezelfde bekommernis voor een getrouwe uitvoering van liturgische gezangen, onstond de alfabetische notatie . Er bestonden twee toonladders :
die van Hucbald A= do B= re C= mi D= fa E= sol F= la G = si
[Hucbald (840-930) was een Vlaams musicoloog .
Hij beschreef in zijn tractaat “De institutione Harmonica” de meerstemmigheid.]

die van Odo (die de overhand kreeg) A= la B= si C= do D= re E= mi F= fa G= sol

Dezelfde zorg voor een juiste interpretatie van de gezangen leidde tot een combinatie van letters, neumen en lijnen. Behalve voor het ritme was deze notatie –voor die tijd- zeer nauwkeurig. Doordat de neumen diastematisch werden en gebonden aan een notenbalk, wijzigden ook hun vorm. Het deel dat zich op de lijn of op de interlinie bevond, kreeg de meeste betekenis. Doordat men toen schreef met in de inkt gesopte (duiven)-pennen met een brede punt ontstond de vierkante of ruitvormige figuur van de noten (kwadraatschrift). Omstreeks het einde van de 12de, begin 13de eeuw ontstonden door de hiervoor beschreven schrijfwijze de tekens van de mensurale notatie : de vorm van de noten gaf ook de duur aan. Een vol (zwart) rechthoekje met een vertikaal vlaggestokje noemde men de maxima. Dezelfde figuur maar met een vierkantje was de longa. Een zwart vierkantje alleen (zonder vertikaal streepje) was een brevis en een zwart ruitje noemde men semibrevis. De longa (lange noot) bv. komt overeen met 2 breves (korte noten). In de eeuw daarop maakte men het ingewikkeld en wijzigden niet allen de tekens maar ook de verhoudingen [bv niet tweedelig (met rode inkt) maar driedelig (met zwarte inkt)] Omstreeks 1400 bereikte het notensysteem zijn grootste ingewikkeldheid in de “gemengde notatie” waarbij, volgens verschillende conventies zwarte, blanke en rode noten door elkaar werden gebruikt. In de loop van de 15de eeuw -vooral door het gebruik van lege (witte) noten , losse tekens en de sleutels- , maakte men het eenvoudiger onder invloed van de drukkunst. (het oudst gekend muziekdrukwerk , het Mainzer Psalterium, dateert van 1457). De meest gebruikelijk noot werd de ruitvorm, met of zonder staart. Terwijl in het Gregoriaans (op vier lijnen) de oude schrijfwijze behouden bleef begon men in de 16de eeuw de ovale vorm te gebruiken om noten te schrijven, maar het aantal lijnen op de notenbalk stond nog niet vast (4,6,7 of 8 lijnen). In de loop van de 18de eeuw evolueerde het muziekschrift naar de huidige vorm.

Hoe kwamen muzieknoten aan hun naam ?

De namen van de muzieknoten worden toegeschreven aan Guido van Arezzo (950-1050). Hij was een Franse benedictijn die muziekleraar werd aan de bisschoppelijke muziekschool van de kathedraal van Arezzo. Hij ontleende de namen van de noten aan een hymne ter ere van de heilige Johannes en nam daarvoor de eerste twee letters van elk vers : (letterlijke –dus stroeve- vertaling )
UT queant laxis Opdat met opgeruimd gemoed
REsonare fibris kan worden uitgebazuind
MIra gestorum over de wonderen van uw grote daden
FAmuli tuorum door uw volgelingen …
SOLve pollutie veeg de bezoedeling
LAbii reatum van hun lippen
Sancti Ioannis Heilige Johannes

Later werd ‘ut’ vervangen door ‘do’ omdat “do” gemakkelijker was om zingend uit te spreken. De ene zegt dat deze keuze louter willekeurig was, de andere zegt dat het de beginletters zijn van “dominus” (heer).

Hymne ter ere van de Heilige Johannes

Tussen 1400 en 1600 speelden de Lage Landen een grote rol in de ontwikkeling van de muziek.Enkele generaties van componisten werden wel eens “De Nederlanders” genoemd, maar Canta Libre weet en is er fier op dat dit eigenlijk allemaal Vlamingen (Vlaanderen was veel groter toen) waren. Een groot deel was afkomstig uit uit de provincie Henegouwen : Johannes Ockegem (Dendermonde), Jacob Obrecht (Bergen op Zoom), Pierre de la Rue (geboren te Doornik als Peter van der Straaten), Josquin des Prez (Kamerrijk – het huidige Franse Cambrai*), Jacobus Clemens non Papa (Walcheren), Adriaan Willaert (Brugge), Orlandus Lassus (Bergen) Philippus De Monte (geboren als Fille van den Bergh te Mechelen). Meestal in opdracht van Italiaanse kerkvorsten schreven zij schitterende muziek
zoals missen, psalmen en motetten, maar ook prachtige meerstemmige liederen en madrigalen die nu nog altijd worden uitgevoerd door gerenomeerde koren.

(* Het overgrote deel zangers van het met Canta Libre bevriende koor “Jubilé” van Herenthout heet Cambré. Deze naam is afkomstig uit het vroegere Kamerrijk (Cambrai) : het is dus begrijpelijk dat deze familie met een dergelijke roots uitstekende zangers levert !)

Nog iets aparts : wie ooit in ’t college van Herentals bij “den Dzjoe”, EH Schroons in ’t koor is geweest, herinnert zich wellicht de met blauw gestencilde partituren met cijferschrift. De melodie stond in cijfers onder elke lettergreep van de tekst van het te zingen lied : 1= do 2= re 3= mi 4= fa 5= sol 6= la 7= si

een puntje onder of boven het cijfer (bijvoorbeeld 1) duidde aan of het de lage of de hoge do was.


Paul Van Hove

(Bronnen : GNLEncyclopedie, muziek van A tot Z, Kruseman’s Muzikaal zaklexicon, Wikipedia)